Actueel
Twintig miljoen minder aan medicijnen door artsenstaking
Tijdens de driedaagse huisartsenstaking begin mei van
dit jaar is er voor 35 miljoen minder aan geneesmiddelen voorgeschreven dan
normaal. De Stichting Farmaceutische Kengetallen concludeert dat de
openbare apotheken tijdens deze drie dagen ruim 550.000 medicijnen
minder dan gebruikelijk hebben verstrekt. In de weken erna was er echter
sprake van een inhaaleffect van zo'n vijftien miljoen gulden. Hierbij
blijkt het vooral om de chronische gebruikers te gaan. De medische
specialisten hebben tijdens de huisartsenstaking niet anders
voorgeschreven dan normaal en ook de drogisten verkochten niet meer
medicijnen. Per saldo is er door de huisartsenactie twintig miljoen minder
aan medicijnen verstrekt. Deze uitkomsten zijn opmerkelijk. Betekent
dit dat deze geneesmiddelen onder normale omstandigheden onnodig
voorgeschreven zouden zijn?
Bron: Utrechts Nieuwsblad 22 september 2001.
De kanttekeningen
Levenslang aan de pil?
Als in de overgang geen anticonceptie gebruikt wordt is
de kans op zwangerschap voor een vrouw van vijftig jaar 0 tot 5 per honderd
vrouwjaren. Deze kans is in dezelfde orde van grootte als die bij het
gebruik van een koperhoudend spiraal. Ondanks deze kleine kans zijn veel
vrouwen bang om zwanger te worden en blijven een anticonceptiepil
gebruiken. Een voordeel zal zijn dat overgangsklachten tijdens het gebruik
van de anticonceptiepil minder zijn. Het is twijfelachtig of dit gebruik
wenselijk is, in verband met de verhoogde kans op borstkanker en hart-
en vaatziekten. Oudere pilgebruiksters wordt dan ook dringend geadviseerd
om niet te roken. Hoeveel vrouwen maken een bewuste keuze om wel of geen
anticonceptiepil te blijven gebruiken? Een aandachtspunt voor in de
apotheek wellicht?
Pilservice
De digitale apotheek http://www.medicijnen.net biedt een
'pilservice' aan. De patiënt stuurt één keer een recept of een
apothekersetiket van een leeg doosje op. Daarna is geen recept meer nodig
en wordt de anticonceptiepil automatisch elk half jaar geleverd. Deze
handelwijze is bekend bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Volgens de
regeling UR-geneesmiddelen mag anticonceptie zonder recept afgeleverd
worden, wanneer op het oorspronkelijk recept staat dat het vaker dan
éénmaal herhaald mag worden. De digitale apotheek levert een legale
service mits aan bovenstaande eis wordt voldaan. Dit lijkt geen goede
ontwikkeling omdat de digitale apotheek alleen de anticonceptie verzorgt en
de patiënten voor andere medicatie naar de 'eigen' apotheek gaan.
Belangrijke interacties, zoals die met antibiotica en enzyminductoren,
worden zo gemist. Moeten we als openbaar apothekers afspraken met de
huisartsen maken, zodat wij óók een dergelijke service kunnen leveren, om
zo de mensen voor deze middelen in de apotheek te houden, zodat een
goede medicatiebewaking gewaarborgd blijft?
Etiketteerfout Prepar®-ampullen
Ziekenhuisapotheken kregen zeer recent een brief van
Solvay Pharma betreffende een etiketteerfout van de
Prepar®-ampullen. Op de ampul-etiketten stond vermeld de tekst 'voor
IV infusie of IV injectie ' in plaats van 'voor IV infusie of IM injectie'.
Om verkeerd gebruik van Prepar® te voorkomen stuurde de fabrikant een
aantal 'briefjes' waarop de juiste tekst vermeld stond waarbij verzocht
werd deze bij de ampullen te stoppen.
Het uitvoeren van een recall is een dure aangelegenheid voor een
geneesmiddelenfabrikant. Het mag echter nooit zo zijn dat een
etiketteerfout - gemaakt binnen het eigen produktieproces - wordt opgelost
met een 'briefje'. Het getuigt van niet veel inzicht in het werkproces op
een verpleegafdeling om te verwachten dat een verpleegkundige eerst een
'briefje' leest alvorens een geneesmiddel toe te dienen. Ondanks het feit
dat Prepar® wordt toegediend door een beperkt aantal personen die
waarschijnlijk op de hoogte zijn van het juiste gebruik van Prepar®
was een recall op zijn plaats geweest!
(On)afhankelijke geneesmiddeleninformatie
In Engeland is onderzocht welke factoren van invloed zijn op de beslissing van artsen een nieuw geneesmiddelen voor te schrijven. Het bleek dat hierbij verschillen bestaan tussen specialisten en huisartsen. Specialisten schreven minder nieuwe geneesmiddelen voor en deden dit voornamelijk binnen hun eigen vakgebied. Ook wisten ze vaak al van het bestaan van nieuwe geneesmiddelen vóór ze op de markt gebracht werden. Klinische trials van collega's speelden hierbij een grote rol. De beslissing tot het voorschrijven van een nieuw geneesmiddel was voornamelijk gebasseerd op wetenschappelijke literatuur die echter vaak verkregen werd via artsenbezoekers. Huisartsen daarentegen schreven meer nieuwe geneesmiddelen voor, waarbij velen onder hen toegaven dat de artsenbezoeker en de informatie van de fabrikant de belangrijkste bronnen van informatie waren. Deze studie toont aan dat zowel specialisten en huisartsen veel informatie verkrijgen via de farmaceutische industrie. Er wordt daarmee ook duidelijk dat er een schone taak is weggelegd voor apothekers om huisartsen en specialisten te voorzien van onafhankelijke informatie zoals deze onder andere is te vinden in Pharma Selecta.
Bron: Br Med J 2001;323 (7309): 378-381.
Gelezen
Toename cardiovasculaire mortaliteit bij belangrijke voetbalwedstrijd
Uit een retrospectief longitudinaal populatie-onderzoek
blijkt dat de mortaliteit door myocardinfarcten bij mannen toeneemt op de
dag van een belangrijke voetbalwedstrijd. Als mogelijke verklaring hiervoor
wordt gegeven dat het myocardinfarct uitgelokt zou kunnen worden door
een verhoogde expositie aan provocerende factoren, zoals mentale en
emotionele stress als gevolg van de wedstrijd. Maar ook de rol van
bijvoorbeeld meer (vet) eten, roken en drinken zou niet moeten worden
onderschat. De mortaliteit bij vrouwen bleek niet te worden beïnvloed
door een voetbalwedstrijd. Minder expositie aan of verminderde vatbaarheid
voor de uitlokkende factoren worden hiervoor als verklaringen gegeven.
Moeten we dan misschien toch van geluk spreken dat Nederland komend jaar
geen WK speelt?
Bron: Br Med J 2001;323:307-310.
Geven meer middelen meer problemen?
Eenderde van de ouderen (> 65 jaar) in de Nederlandse huisartsenpraktijk gebruikt twee of meer geneesmiddelen chronisch. Vijf procent gebruikt meer dan vijf middelen tegelijk. Bij deze groep gaat het voornamelijk om middelen bij hartfalen en astma/COPD, waarbij verschillende middelen geïndiceerd zijn. In de literatuur worden als risicofactoren voor polyfarmacie genoemd: gezondheidstoestand, leeftijd, geslacht en woonsituatie van de patiënt, het aantal voorschrijvende artsen en het afleveren van de recepten door de apotheek.
Problemen aan geneesmiddelen gerelateerd, worden vaak beschreven aan de hand van ziekenhuisopnames. In drie tot vijftien procent van de gevallen zouden geneesmiddelen een rol spelen. Het is niet altijd duidelijk in hoeverre geneesmiddelen direct of indirect bijdragen aan een ziekenhuisopname. Deze geregistreerde problemen zouden echter een minder ernstig beeld kunnen geven. Mogelijk herkenden artsen de problemen niet als geneesmiddel gerelateerde problemen.
Een andere vraag is of het terugdringen van polyfarmacie leidt tot minder problemen. Misschien kunnen we beter onze aandacht besteden aan doelmatig geneesmiddelgebruik.
Bron: Huisarts en Wetenschap 2001:10;446-449.
Bij plassen gaat de wekker
Enuresis nocturna (bedplassen) komt bij vijftien tot twintig procent van de kinderen van vijf jaar voor, tot twee procent bij volwassenen. Deze aandoening kan een grote belasting zijn voor ouders en kinderen. Meestal zal het bedplassen spontaan overgaan. Verschillende therapieën kunnen worden ingezet: desmopressine, TCA's, gedragstherapie en de plaswekker. Onderzoek bij 1125 bedplassertjes toont aan dat de plaswekker meer kans geeft op een droog bed dan geen behandeling. De plaswekker bleek even effectief als een behandeling met desmopressine of TCA's. Er zijn aanwijzingen dat bij de plaswekkermethode recidieven minder vaak voorkomen.
Heeft u een plaswekker te leen in de apotheek? De plaswekker wordt aangeraden vanaf acht jaar maar er is ook succesvol onderzoek gedaan bij kinderen van vijf tot zeven jaar.
Bron: Huisarts en Wetenschap 2001;10:459-460.
Risico's bij het stoppen met roken met behulp van bupropion
Bupropion is sinds december 1999 in ons land
geregistreerd als een hulpmiddel bij het stoppen met roken. Bupropion is
een selectieve norepineferine- en dopamineheropnameremmer en bevat geen
nicotine. In een jaar tijd zijn zeven meldingen gedaan van (mogelijke)
convulsies na het gebruik van bupropion. Gezien de ernst van convulsies
als bijwerking in vergelijking tot de indicatie 'hulpmiddel bij het stoppen
met roken' is het van belang het risico op convulsies bij gebruikers van
bupropion zo klein mogelijk te houden. Bupropion is daarom
gecontraïndiceerd voor patiënten met convulsies of eetstoornissen zoals
anorexia of boulimia in de voorgeschiedenis en voor patiënten met een
ernstige levercirrose. Patiënten met hersenletsel na een hoofdtrauma of met
een tumor in het centrale zenuwstelsel moeten extra in de gaten worden
gehouden. Evenals patiënten die gebruik maken van medicatie die de drempel
voor convulsies verlagen, zoals antipsychotica, antidepressiva,
theofylline, systemische corticosteroïden. Extra waakzaamheid is ook
geboden bij gebruikers van centraal werkende eetlustremmende of
-stimulerende middelen en bij andere klinische omstandigheden die gepaard
gaan met een verhoogd risico op convulsies, zoals koorts, gebruik van of
onttrekking aan drugs, bij overmatig gebruik van of onttrekking aan
alcohol en/of benzodiazepinen of bij diabetes met een groot risico op
hypoglykemie. Wanneer in deze gevallen toch besloten wordt een behandeling
met bupropion te starten, moet de patiënt gewezen worden op de
mogelijkheid dat convulsies kunnen optreden. Daarnaast dient het
voorschrijven van een hogere dosis dan de aanbevolen dosis (gedurende zes
dagen 150 mg, vervolgens twee keer per dag 150 mg) te worden vermeden.
Tevens moet aan de patiënt duidelijk worden uitgelegd dat bupropion niet
vergelijkbaar is met nicotinekauwgum en dat de tabletten dus niet
kapotgekauwd mogen worden, maar in z'n geheel doorgeslikt moeten worden.
Wanneer convulsies toch optreden, moet in overleg met een arts de medicatie
gestopt worden.
Bron: Ned Tijdschr Geneesk 2001;145:6:277-278.
uit de praktijk
Het mogelijke gevaar van verouderde naslagwerken
Onlangs werd in een groot academisch ziekenhuis een
patiënt binnengebracht met bodypacker als werkdiagnose.
Bodypackers zijn mensen die in plastic of latex verpakte cocaïne
ingeslikt hebben als smokkelmethode. Een onervaren arts pakte vol
enthousiasme een oude druk van het boekje Behandeling van acute
vergiftigingen van het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum
(NVIC). Deze druk adviseerde te laxeren met... paraffine! Gelukkig was er
een ervaren arts aanwezig die kon vertellen dat paraffine plastic of latex
permeabel kan maken met als gevolg een massale intoxicatie met dodelijke
hoeveelheden cocaïne. Een groot ongeluk was daarmee voorkomen. Belangrijke
les uit deze casus is het up-to-date houden van de gebruikte
literatuur. Bij het uitkomen van nieuwe drukken van belangrijke
naslagwerken moet aandacht besteed worden aan het verwijderen van oude
drukken. Dit geldt in ieder geval voor de oude druk van het beschreven
boekje (Heijst van ANP, Pikaar SA. Behandeling van acute
vergiftigingen, Utrecht/ Antwerpen, Bohn, Scheltema & Holkema. 1988, 4e
druk: 181).